Nederlandse oorlogsschepen voor de Kriegsmarine

ZH 1

In mei 1940 namen de Duitsers de contracten die verschillende werven met de Koninklijke Marine hadden afgesloten naadloos over, inclusief de verschuldigde betalingen. Zo kon de Kriegsmarine in de loop van de eerste oorlogsjaren de volgende eenheden aan de sterkte toevoegen: een torpedobootjager, drie kanonneerboten, drie onderzeeboten, acht torpedomotorboten, een marinetanker, drie mijnenvegers en twaalf ondiepwater-mijnenvegers.

Flakschiff NIOBE Daarnaast vielen de Duitsers een klein aantal andere oorlogsbodems in handen, die om uiteenlopende redenen in Nederland waren achtergebleven, varierend van twee gloednieuwe MTB's tot afgedankte pantserschepen. Dat deze in de latere oorlogsjaren toch nog militair van betekenis werden was te danken aan het toenemende luchtoverwicht van de geallieerden, waardoor de Kriegsmarine zich genoodzaakt zag om deze oude beestjes om te bouwen tot drijvende Flak-batterijen.

Van de hier afgebeelde Niobe hebben de Duitsers weinig plezier gehad. Het schip werd al tijdens zijn eerste missie op 16 juli 1944 in de Finse Golf tot zinken gebracht door vliegtuigen van de Sovjet-luchtmacht. Het Batterijschip IJmuiden (ex-Jacob van Heemskerck) en de Hertog Hendrik keerden na de oorlog in Nederland terug en sleten hun laatste dagen als logementsschip.

ZH 1 Het is anders gelopen, maar dit is mogelijk wat de Kriegsmarine in 1940 voor ogen stond.

 

Als opvolgers van de snel verouderende Java en Sumatra verschenen in 1938 twee volwaardige lichte kruisers op de tekentafels van het Bureau Scheepsbouw van het Ministerie van Defensie. Aanvankelijk had men gekozen voor een hoofdbatterij van acht kanons van 15 cm, maar uiteindelijk werd deze uitgebreid naar tien, opgesteld in drieling- en dubbeltorens. De luchtdoelbatterij omvatte twee groepen van drie 40 mm Bofors-tweelingmitrailleurs, op posities voor en achter de 15 cm-dubbeltorens, terwijl acht machinegeweren van 12,7 mm in dubbelopstellingen waren voorzien. De bewapening zou worden gecompleteerd met twee torpedokanons met ieder drie lanceerbuizen van 53,3 cm.

De bouw verliep tot 10 mei 1940 voorspoedig. Er was al veel materiaal verwerkt in de schepen en bij Bofors in Zweden was de productie van de 15 cm-torens in volle gang, toen de Kriegsmarine zich over de casco's ontfermde en de schepen als KH 1 en KH 2 wilde afbouwen. Door allerlei oorzaken is dat niet gelukt. De Zeven Provinciën (ex-Kijkduin) werd nog wel nog uitgerust met een naar Duitse inzichten gemodificeerde boeg. In de laatste oorlogsjaren lag de bouw stil, zodat de Koninklijke Marine in 1945 in bevrijd Nederland twee incomplete kruiser-rompen aantrof.

In 1946 werd besloten om de kruisers af te bouwen volgens een geheel herzien ontwerp, waarin de laatste inzichten en ervaringen uit de oorlog waren verwerkt. Na wat heen-en-weer geschuif met de namen voor de schepen werd de Eendracht als Zeven Provinciën te water gelaten en het zusterschip als De Ruyter. De hoofdbewapening was teruggebracht naar acht 15 cm-kanons (4 x 2). De luchtdoelbatterij omvatte acht kanons van 57 mm (4 x 2) en acht 40mm-Bofors luchtdoelmitrailleurs (8 x 1).

De Ruyter C 801

Bij hun indienststelling in 1953 waren de schepen voorzien van een voortstuwingsinstallatie die van voor naar achter als twee gescheiden opstellingen van telkens een ketelruim en een machinekamer was ingericht. Een complicatie was de veelheid aan elektronische systemen die moest worden ingebouwd voor uiteenlopende functies als navigatie, waarneming, vuurleiding, gevechtsleiding en communicatie. Deze apparatuur legde een relatief groot beslag op het beschikbare volume van een romp uit 1938. Als we daarbij de extra 300 man in aanmerking nemen die aan boord moesten worden ondergebracht wordt duidelijk, waarom er tussendeks met de ruimte moest worden gewoekerd.

In Zweden was intussen een elegante oplossing gekozen voor een nuttig gebruik van de twee drieling- en vier dubbeltorens van 15 cm die in de Bofors-fabrieken in 1940 gereed waren gekomen. Daarmee werden de Zweedse lichte kruisers Göta Lejon en Tre Kronor uitgerust waarvan de bouw in 1943 werd begonnen.

Tre Kronor

Na de capitulatie van Nederland vielen drie onvoltooide kanonneerboten in handen van de Duitse Kriegsmarine. De schepen maakten deel uit van een serie van zeven. De overige vier waren in mei 1940 nog niet besteld, maar de lopende orders werden in opdracht van de Duitsers volgens plan afgewerkt.

Kanonenboot K 3

De hoofdbatterij werd geleverd door Wilton, Piet Smit bouwde de motoren en de Artillerie Inrichting Hembrug produceerde de benodigde munitie. In plaats van de 40 mm Bofors-mitrailleurs monteerde men een Flak-batterij van vier 37 mm en vier 20mm mitrailleurs, later opgevoerd tot twaalf. De K 1 ging op een van de laatste oorlogsdagen in Denemarken verloren, terwijl de K 2 en K 3 in het Noorse Horten werden teruggevonden. Beide schepen werden naar Nederland overgebracht, maar de K 2 was te zwaar beschadigd en moest worden afgeschreven. Het overblijvende schip werd door de Koninklijke Marine alsnog in dienst gesteld en heeft nog tot 1960 als Hr.Ms. Van Speijk op de sterkte gestaan. In 1953 werden de motoren vervangen door de Sulzers uit de afgedankte O 23.

 

K 1 Deze foto laat de K 1 zien in Kiel, afgemeerd langszij het Minenschiff Skagerrak. © M. Laarman